De directe omgeving van de werk (en expositie)plek, zowel in maatschappelijke als visuele of fysieke zin, speelt bij Scheerhoorn een steeds grotere rol in het bepalen van zijn beelden. Het betekent dat er minder eenduidige werelden door hem worden gecreëerd waarbinnen zich steeds meer associaties en betekenissen schuilhouden. De beschouwer wordt meer aan zijn lot overgelaten en wordt bijna gedwongen zijn referentiekaders op te blazen waarna overgave kan volgen. Pas dan zie je hoe Scheerhoorn in staat is welke ruimte dan ook te dynamiseren of te betoveren. Hij weet de gegeven openheid van het medium ‘installatie’ volledig uit te buiten. Uit zijn meest recente werken valt nauwelijks nog een vaststaand beeld of statische betekenisgeving te destilleren.

Uit een gastatelier (In Rotterdam) gesloopte monumentale vensters bungelen wezenloos in de bedding van een pulserende kartonnen wand (die in ditzelfde atelier is geplaatst). Deze forse, aan architectuur gerelateerde, ingreep geeft de betreffende ruimte een sterke, maar ook kwetsbare dynamiek.
In een Groningse kunstruimte leidt een parcours vol vreemde, vaak verouderde gebruiksvoorwerpen naar een achterruimte waar allerlei hokjes zijn gebouwd met als afscheiding een merkwaardige verzameling kleine rechthoekige doeken met gezeefdrukte pictogrammen. Je belandt hier in een licht absurdistisch universum waar elke houvast ontbreekt. Het werk heeft in zijn uitstraling literaire connotaties en kan gerust ‘Kafkaiaans’ genoemd worden.

2/4
<